Regio informatie

Regio informatie over Polen en Neder Silezië (Dolnyslask)

We beginnen dicht bij huis. Antoniów ligt aan de voet van het Isergebergte (Góry Izerkie, Isergebirge) en Reuzengebergte (Karkonosze). Op de overgang van grote bergachtige gebieden met veel bossen, en een oud kleinschalig boerenlandschap met veel kleine weilanden, akkers, bosjes, dichtbegroeide beekdalen en dorpen met monumentale boerderijen en oude kerken. Overal zijn voetpaden en kleine bergstroompjes. Het bijzondere van dit gebied is dat hier de houtwallen en stapelmuren van de 14e tot de 18e eeuw nog vrijwel intact zijn.

Landhuis Antoniów ligt op de berg Boza Góra (Godsberg). Boza Góra maakt deel uit van het plaatsje Antoniów. Antoniów is bijzonder vanwege de wevershuisjes en de schilderachtige ligging tegen het gebergte. Leuk zijn ook de mythen over dit gebied, waaronder het verhaal over de Wolfgangsbron. Deze bron ligt vlakbij landhuis Antoniów en is nog altijd in tact. Het verhaal gaat dat het water geneeskrachtig is en dat er een kapel gestaan heeft. In Antoniów is ook een glas-in-loodstudio met expositieruimte en gelegenheid voor workshops. Aan de overkant van landhuis Antoniów ligt het vroegere jachthuis, inmiddels pension Iwenica.

Stara Kamienica

Antoniów is onderdeel van de gemeente Stara Kamienica (Neder Silezië). Voor 1940 was deze gemeente bekend als kuuroord en werd dit gebied het ‘Toscane van Midden-Europa’ genoemd. Door de aansluiting met Europa ontdekt het toerisme deze streek opnieuw.

Nationaal park Karkonosze

Kenmerken van het landschap.

Het Reuzengebergte is een compact bergmassief (ca. 1400 m hoog), liggend tegen de vallei van Jelenia Góra. Het Reuzengebergte grenst in het westen aan de pas (886 m) van Szklarska Poreba en in het oosten grenst het aan de pas (727 m) van Kowary. Ook twee beken kunnen als grenslijn aangehouden worden; in het westen de Kamienna en in het oosten de Jedlica.

De belangrijkste bergrug van het Reuzengebergte bestaat uit uitgestrekte bergtoppen. De bergen worden aan de noordzijde gekenmerkt door halfcirkelvormige dalen, gevormd door erosie (keteldalen). Keteldalen hebben aan drie zijden steile kliffen met een meer in het dal. De vierde zijde wordt begrenst door een dam, ontstaan door voortstuwend gesteente van gletsjers. Het gebergte heeft 6 van dergelijke keteldalen. Kociol Lomniczki, Kociol Wielkiego Stawu, Kociol Malego Stawu, Czarny Kociol, Wielki Sniezny Kociol en Maly Sniezny Kociol.

Het Reuzengebergte is het kleinste hooggebergte van Europa met een zeer extreem klimaat. Dit laatste wordt veroorzaakt doordat het land- en het zeeklimaat het hooggebergte vaak gelijktijdig beïnvloeden. Zelfs de boomgrens ligt hier aanmerkelijk lager dan in de Alpen. De vegetatie op de toppen wordt gekenmerkt door een alpine en subalpine vegetatie met o.a. dwergsparren.

Tenslotte zijn de watervallen een mooi element van het Reuzengebergte. De belangrijkste zijn de Szklarka waterval, de Lomniczka Cascades en de hoogste waterval is de Kamienczyk (27 meter).

In het Reuzengebergte zijn er periglaciale gebieden. Dit zijn gebieden die gekenmerkt worden door alpine toendra’s (boomloos), ontstaan in een tijd dat het gebied gekenmerkt werd door permafrost. Nog steeds hebben op deze hoogte vorst, ijs, sneeuw en wind een grote invloed op het landschap. Planten en dieren hebben zich op dit klimaat aangepast om te kunnen overleven. In het Reuzengebergte komen zowel soorten uit Arctische als uit Alpine gebieden voor. Daarom wordt dit gebied ook wel aangeduid als Arctisch-Alpine tundra.

Een ander kenmerk van het landschap in het Reuzengebergte zijn de uitgestrekte laagveengebieden.

Het bergmassief heeft twee hoogtepunten: in het westen Wielki Szyszak (1509 m) en in het oosten Smogornia (1489 m). De hoogste berg is de Sniezka (1603 m).

Aan de noordkant van het gebergte bevinden zich de keteldalen en gletsjermeren. De voeteinden van het gebergte lopen aan de Poolse zijde uit in een meer glooiend landschap met af en toe losse heuvels. Kenmerkend zijn de steile, uit het landschap stekende, rotsformaties. Erosie heeft op dit gesteente geen invloed. In totaal zijn er ca. vijftig van dergelijke markant gevormde rotsformaties. De belangrijkste en meest toegankelijke zijn: Pielgrzymy, Slonecznik, Slaskie Kamienie, Czeskie Kamienie, Paciorki, Twaroznik, Trzy Swinki en Konskie Lby (paardenhoofd). Op een aantal van deze rotsen bevinden zich bovenop komvormige erosiegaten. In vroegere tijden waren dit “heilige kommen”.

Flora en fauna

In dit deel van Polen is bos het meest voorkomend. Daarbij zijn door de tijd grote gebieden door de mens ingericht met akkers en boomgaarden. Ongeveer 10.000 jaar geleden liep de laatste koudeperiode ten einde, de Weichel-ijstijd, genoemd naar de grootste rivier (Wisla) die door Polen loopt. Door de opwarming smolten gletsjers en kwam er een toendra- / steppelandschap tevoorschijn.

Dankzij de extensieve landbouw is de bloemenrijkdom in deze streek veel groter dan in Nederland (de website is ook voor mensen uit Polen toch?). Vooral in de weilanden en langs bosranden zien we veel bloeiende bloemen. Qua boomsoorten is het gebied vergelijkbaar met Nederland: de eik, beuk, berk, iep, linde, es, esdoorn en meidoorn komen veelvuldig voor. In de donkere bossen komen we schaduwminnende planten tegen als salomonszegel (Polygonatum odoratum) en het vogelnestje (Neottina nidusavis).

Naarmate we meer in de bergen komen zien we dat vooral beuken het goed doen. Door de vruchtbare ondergrond is hier aardig wat ondergroei en zien we veel bloeiende planten. Nog hoger zien we de imposante en vaak kolossale zilverspar verschijnen, mede dankzij het vochtige klimaat. Ook varens en tal van mossen komen hier voor.

Boven de 1500 meter komen we in een subalpine landschap waar de bomen struikachtig worden.

Richting het oosten en westen is het landschap glooiend en kenmerkt het zich door kleinschalige landbouw met talrijke houtwallen, beekjes en wandelpaden. Richting het IJzer- en Reuzengebergte is het landschap grillig en bergachtig met uitgestrekte bossen.

Karakteristieke flora bestaat uit kleine ratelaar, hondsviooltje, adderwortel en memelsleutel. Door de kleinschalige landbouw kom je hier nog bloemrijke weiden tegen met o.a. sint janskruid, weideklokje, ruw walstro en steenanjer.

De fauna bestaat o.a. uit herten, wilde zwijnen, vossen, hermelijnen, steenmarters, wezels en langs de beken vogels als de waterspreeuw en ijsvogel. In de beken is op een aantal plaatsen forel te vinden.

Hoogveen
Hoog in het Reuzengebergte komen we hoogveen en veenmos tegen. Het veen bestaat voor ca. 95% uit water. Toch ziet de vegetatie op deze hoogte (veenbes en lavendelheide) er uit alsof het onder droge omstandigheden groeit. Dit wordt veroorzaakt door het veenmos. Veenmos maakt het omliggende veenwater zo zuur dat andere struiken en planten het niet kunnen opnemen. Daarmee is de vegetatie hier afhankelijk van regenwater.

Bewogen verleden
Verschillende reisgidsen beschrijven Silezië als een afwisselend gebied met een rijke architectuur en een bewogen geschiedenis. De Sudeten is een gebied in Silezië dat gekenmerkt wordt door een aantal bergketens, dat zich uitstrekt langs de Pools-Tsjechische grens. Met bergtoppen variërend van 1000 tot 1400 meter hoogte. De variatie van dit gebied maakt het bijzonder, met glooiende hellingen, diepe rivierbeddingen, watervallen, grillige rotsvormen en in hogere delen ook kenmerken van gletsjers met bergmeren, keteldalen en zwevende dalen.

In Silezië vestigde een Slavische stam (de Boranen) zich in het dal van Jelenia Góra, aan de voet van het Karkonosze gebergte. Vanaf de tiende eeuw kwam deze stam onder het gezag van het rijk der Piasten. Het lukt de Piasten eenheid te scheppen tussen de verschillende stammen. Het gebied rond Podznan krijgt de naam Polska (Polen), afgeleid van de stam der Polanen (Pole = veld, mensen van de velden).

Al in de vroege Middeleeuwen was Silezië een belangrijke doorgang van zowel oost naar west als van noord naar zuid. In de tiende en twaalfde eeuw was Silezië overgeleverd aan twisten tussen Duitse, Boheemse en Poolse vorsten. In de omgeving van Jelenia Góra liggen de plaatsen Swidnica en Jawor, waar in die tijd de Hertogen verschillende kastelen gebouwd hebben. Een groot aantal is nog steeds te bewonderen (Bolkow, Ksiaz, Chojnik).

Tussen de dertiende en vijftiende eeuw stond Silezië onder Duitse invloed. Veel Duitsers vestigden zich en er ontstond economische bloei, vooral door handel, ambachtswerk en goudwinning. Veel kerken, kloosters en kastelen herinneren aan deze tijd. In de zestiende eeuw kwam Silezië in handen van de Habsburgers waardoor de glasindustrie (kristal) en weverij opkwam. De in dit gebied herkenbare barokstijl is ontstaan tijdens de Contrareformatie. In de tweede helft van de negentiende eeuw kreeg het toerisme bekendheid met o.a. de kuuroorden in het Reuzengebergte.

.